05 juni 2009

LEVEN IN VERGETELHEID

 

In een gesprek viel de filmtitel Living in Oblivion, en ik hoorde mezelf zeggen dat dat een waanzinnig goede film is. ‘Wijs en humorvol, licht en toch zwaar,’ zei ik, met het gezag van iemand die columns schrijft over cinema.

 

Na afloop van het gesprek vroeg ik me af wat ik me van de film eigenlijk kon herinneren, behalve dat ik er blijkbaar ooit zo van had genoten. Een roman als Rayuela van Julio Cortázar behoort tot de beste boeken die ik heb gelezen, al is me welbeschouwd geen personage, woord of scène bijgebleven. In vroeger tijden at ik eens bij kok Cas Spijkers, een spectaculaire ervaring, hoewel de gerechten allemaal zijn weggezakt in mijn geheugen. Van veel geweldige boeken, films en maaltijden herinner ik me in feite alleen de geweldige herinnering. Het is de vraag of dit normaal is of dat ik mezelf kan beschouwen als een gevalletje neurologische degeneratie.

 

Krampachtig probeerde ik daarom op te diepen waar Living in Oblivion over ging. De Amerikaanse independent film, die halverwege de jaren negentig werd geschoten, is een satirische low budget productie over het maken van een low budget productie. Nu is het vaak bilspierknijpend als dichters besluiten te dichten over dichten, schilders schilderen over schilderen of filmers filmen over filmen, maar ik herinner me niet dat de makers van Living in Oblivion in deze eigenpijperige val waren getrapt. Integendeel.

 

Steve Buscimi speelde een regisseur die wanhopig leiding gaf aan een chaotische cameraploeg en een paar acteurs, van wie er een de status had van Brat Pitt. Er werd een spel gespeeld van daadwerkelijke scènes uit de film en de momenten voor en na de opnamen, en er was ook nog iets met een liefdesgeschiedenis. Althans, dat is me bijgebleven.

 

Zo herinnerd heeft Living in Oblivion veel weg van Robert Jan Westdijks recente speelfilm Het echte leven (2008), die vorig jaar het Nederlands Filmfestival opende. Ook die komedie gaat over een regisseur, een filmset en hoe ‘het echte liefdesleven’ de opnamen van de film komt binnengesijpeld.

 

Beide films moeten zijn geïnspireerd zijn door het heftige meeslepende psychologische experiment genaamd ‘de filmset’. Als er iets is dat ik me van Living in Oblivion herinner is het de sfeer rond het schieten van een film; de spanning, het wachten, de ruzies, de saamhorigheid.

 

Er was maar één manier om te toetsen of ik mijn gedachten over Living in Oblivion strookten met mijn bewering dat de productie waanzinnig goed is: hem nog een keer bekijken (met als risico dat hij zwaar tegenviel). Laat ik het zo zeggen: over een jaar of vijftien mag ik probleemloos beweren dat Living in Oblivion een lekkere, vette, zwartvrolijke film is over het maken van films, al hoop ik dat ik me er tegen die tijd meer van zal herinneren.





05 juli 2009

THE MAKING OF PHILEINE ZEGT SORRY

Werkend aan mijn laatste column voor de Volkskrant (een stuk over Robert Jan Westdijk), kwam ik deze tekst tegen uit 2003. Het verhaal verscheen als los boekje bij een Viva.

 

 

Vaak is het zo dat een schrijver een boek in een flits voor zich ziet. Hij loopt over straat aan iets onbenulligs te denken en flits!: plotseling zit er een boek in zijn hoofd, een boek met een eigen toon, een stijl en het vermoeden van een plot. Vanaf die flits bestaat het boek daadwerkelijk, al is er nog geen letter geschreven.

Phileine zegt sorry flitste door mijn hoofd aan het eind van een warme zomer, halverwege de jaren negentig. Met wat vrienden zag ik in het Academietheater in Utrecht een studentenuitvoering van Shakespeares Romeo & Julia. Mijn toenmalige vriendin M. speelde er in mee, wekenlang had ze met haar medespelers gerepeteerd. Het was een heerlijk experimentele voorstelling: er werd veel geschreeuwd en gevochten, en de rollen stonden om een of andere artistieke reden niet bij voorbaat vast. Soms speelde de ene actrice Julia, soms de andere en soms speelden alle actrices de rol tegelijk. Ook Romeo verwisselden voortdurend van acteur.

Lees meer>

13 juli 2009

AUTEUR

Foto: Michael Braamberg

 

Mijn laatste filmcolumn in de Volkskrant van afgelopen donderdag:


Hopelijk staat u mij toe dat ik in mijn laatste bijdrage aan deze rubriek heb gekozen voor iets persoonlijks. Als locatiescout van mijn eigen leven vond ik voor het decor het Utrechtse Wilhelminapark, en als tegenspeler castte ik regisseur Robert Jan Westdijk, bekend van het internationaal gelauwerde Zusje (1995) en de veelbesproken film Het echte leven (2008).

 

Maar eerst een bekentenis. Met het jeugdige arrogante dat solipsistische schrijvers eigen is heb ik lange tijd een voor buitenstaanders waarschijnlijk benauwend wereldbeeld gehad: in mijn optiek waren er ‘boeken’ en daarnaast was er ‘al het andere’.

 

Andere kunstuitingen dan literatuur heb ik diep in mijn hart nooit bijzonder serieus kunnen nemen. De ontroering die sommige muziek geeft gaat zeer diep, al blijft het een woordloze, bijna dierlijke emotie. Schilderkunst kan heel kunstig zijn, maar de plaatjes bieden mij slechts kortstondige bevrediging, net als fotografie en strips. Architectuur blijft gebruikskunst, en over keramiek wil ik het al helemaal niet hebben. Ook mis ik het gen om me ten volle te geven aan toneel, mime of dans. Mijn probleem met film was lange tijd dat ik niet begreep hoe ‘een allerindividueelste expressie’ kon worden vormgegeven door een productieploeg van een mannetje of tachtig.

En toen zag ik, gelokt door een affiche waarin een meisje een lepel op haar neus droeg, de film Zusje van debutant Westdijk (1965). En daarna nog eens. En nog drie keer. Nooit was ik zo gegrepen door een film als door deze verbeelding van de grootsteedse levensperikelen van jongvolwassenen. Zusje was onstuimig, persoonlijk, vernieuwend en experimenteel, zonder pretentieus te zijn - zoals bijvoorbeeld het werk van de Deense Dogma-broertjes, die een jaar na Zusje met hun suffe regeltjes de internationale filmwereld bestookten.

Lees meer>