THE MAKING OF PHILEINE ZEGT SORRY
Werkend aan mijn laatste column voor de Volkskrant (een stuk over Robert Jan Westdijk), kwam ik deze tekst tegen uit 2003. Het verhaal verscheen als los boekje bij een Viva.

Vaak is het zo dat een schrijver een boek in een flits voor zich ziet. Hij loopt over straat aan iets onbenulligs te denken en flits!: plotseling zit er een boek in zijn hoofd, een boek met een eigen toon, een stijl en het vermoeden van een plot. Vanaf die flits bestaat het boek daadwerkelijk, al is er nog geen letter geschreven.
Phileine zegt sorry flitste door mijn hoofd aan het eind van een warme zomer, halverwege de jaren negentig. Met wat vrienden zag ik in het Academietheater in Utrecht een studentenuitvoering van Shakespeares Romeo & Julia. Mijn toenmalige vriendin M. speelde er in mee, wekenlang had ze met haar medespelers gerepeteerd. Het was een heerlijk experimentele voorstelling: er werd veel geschreeuwd en gevochten, en de rollen stonden om een of andere artistieke reden niet bij voorbaat vast. Soms speelde de ene actrice Julia, soms de andere en soms speelden alle actrices de rol tegelijk. Ook Romeo verwisselden voortdurend van acteur.
Lees meer>
AUTEUR

Foto: Michael Braamberg
Mijn laatste filmcolumn in de Volkskrant van afgelopen donderdag:
Hopelijk staat u mij toe dat ik in mijn laatste bijdrage aan deze rubriek heb gekozen voor iets persoonlijks. Als locatiescout van mijn eigen leven vond ik voor het decor het Utrechtse Wilhelminapark, en als tegenspeler castte ik regisseur Robert Jan Westdijk, bekend van het internationaal gelauwerde Zusje (1995) en de veelbesproken film Het echte leven (2008).
Maar eerst een bekentenis. Met het jeugdige arrogante dat solipsistische schrijvers eigen is heb ik lange tijd een voor buitenstaanders waarschijnlijk benauwend wereldbeeld gehad: in mijn optiek waren er ‘boeken’ en daarnaast was er ‘al het andere’.
Andere kunstuitingen dan literatuur heb ik diep in mijn hart nooit bijzonder serieus kunnen nemen. De ontroering die sommige muziek geeft gaat zeer diep, al blijft het een woordloze, bijna dierlijke emotie. Schilderkunst kan heel kunstig zijn, maar de plaatjes bieden mij slechts kortstondige bevrediging, net als fotografie en strips. Architectuur blijft gebruikskunst, en over keramiek wil ik het al helemaal niet hebben. Ook mis ik het gen om me ten volle te geven aan toneel, mime of dans. Mijn probleem met film was lange tijd dat ik niet begreep hoe ‘een allerindividueelste expressie’ kon worden vormgegeven door een productieploeg van een mannetje of tachtig.
En toen zag ik, gelokt door een affiche waarin een meisje een lepel op haar neus droeg, de film Zusje van debutant Westdijk (1965). En daarna nog eens. En nog drie keer. Nooit was ik zo gegrepen door een film als door deze verbeelding van de grootsteedse levensperikelen van jongvolwassenen. Zusje was onstuimig, persoonlijk, vernieuwend en experimenteel, zonder pretentieus te zijn - zoals bijvoorbeeld het werk van de Deense Dogma-broertjes, die een jaar na Zusje met hun suffe regeltjes de internationale filmwereld bestookten.
Lees meer>
EEN ZEVEN

Illustratie: Reid, Geleijnse en Van Tol
Dit stuk begint met een herinnering aan mijn studietijd, meer dan twintig jaar geleden. Het was een zomerse dag, ik liep over ’t Wed in Utrecht, langs terrassen die waren gevuld met bierdrinkende studenten. Het is nooit mijn hobby geweest om langs menigten te lopen, simpelweg omdat het mij nooit lukt om in zulke gevallen een normaal gezicht aan te trekken. Hoe natuurlijker ik probeer te kijken, hoe ongemakkelijker ik voortschuifel. Op een van de terrassen zaten een stuk of wat gebruinde studentenmeisjes uitgelaten in de zon. Toen ik het groepje was gepasseerd hoorde ik een van hen met schorre stem zeggen: ‘Een zeven.’
Dit getal werd meteen beaamd door de andere studentes. Een paar passen verder begreep ik dat dit het cijfer was dat ik van de dames had gekregen, een getal dat ik met gemengde gevoelens probeerde te duiden. Een zeven is een voldoende, maar niet meer dan dat. Goed, maar het kan beter. Nu ik twintig kilo sterker in mijn schoenen sta, weet ik dat ik - met de wetenschap van nu - anders had moeten reageren.
De uitdrukking ‘met de wetenschap van nu’, betekent letterlijk: als ik toen wist wat ik nu weet zouden de dingen heel anders zijn gelopen. Deze wetenschap van ‘toen en nu’ hoeft niet per se te slaan op dingen die jaren geleden zijn gebeurd, in tegendeel. De psychologie heeft een fraaie uitdrukking voor de manier van denken waarmee we fouten uit het verleden proberen te reflecteren: counterfactual thinking. Oftewel ‘redeneren tegen de feiten in’. Dit is geen gedrag om ons voor te schamen, sterker nog, iedereen heeft dagelijks tientallen van deze counterfactuals. ‘Had ik deze afslag maar niet genomen, dan stond ik nu niet in de file.’ ‘Waren we maar naar de Middellandse Zee op vakantie geweest, in plaats van naar Zeeland.’ ‘Had ik maar een abonnement op Kijk genomen, in plaats van op Donald Duck.’
Lees meer>





